Ik bel MIR. Ze zit in de trein en ik ben net terug van een bezoek aan de Notaris. Ik had toen nog de verwachting dat mijn vermogen zou groeien in de komende jaren en dat ik iets zou moeten regelen bij overlijden. Wie erft wat en wie wordt voogd van de kinderen.
MIR: ‘He hoe was het? Wat zeiden ze?’
RB: ‘Nou, het is het makkelijkst als we gaan trouwen. Dat is veel eenvoudiger dan een samenlevingscontract. Dat komt omdat …
MIR: ‘Vraag je mij ten huwelijk terwijl ik in de trein zit?’
RB: ‘Romantisch he?’
MIR hangt op. Oops.

Een aantal weken later zitten wij bij de notaris om de documenten te ondertekenen. Het wordt een partnerschapsovereenkomst. Het oorspronkelijke homo huwelijk. Het kan ooit worden omgezet naar een ‘echt’ huwelijk, maar daar zijn juridisch niet echt veel redenen voor. Behalve dat het dan ook in het buitenland wordt erkend.
Ongeveer twee weken na de geboorte van Abel gaan we op een woensdag ochtend naar het stadhuis. Om 10 voor negen stappen we naar binnen. We hebben onze ouders gevraagd om getuige te zijn., vooral omdat we getuigen nodig hadden. We nemen plaats en de ambtenaar zegt, dat we kunnen beginnen, als ik haar de ringen geef. Die hebben we niet. Ze kijkt enigszins verbaast. Geen feestje, geen bloemen geen jurk, geen … nee niks. Alleen een juridische overeenkomst. Ik voel niets bij de ceremonie, bij de belofte. Er zijn genoeg mensen die enorme feesten houden, van alles beloven, maar dan toch uit elkaar gaan. Ik wil bij MIR blijven omdat ik van haar hou, omdat we samen een kind op de wereld hebben gebracht en ik dat samen met haar wil opvoeden. Behoefte om het traditioneel te vieren heb ik nu niet, maar ik wil het wel juridisch goed geregeld hebben.
Omdat het zo kort duurde en we eerder begonnen, staan we nog voor de afgesproken tijd van 9 uur weer buiten. We hebben een programma gemaakt en gaan nu eerst met de kleine AAB en de grootouders een rondvaart maken door Schiedam. Typisch iets wat touristen doen, maar mensen die langs de route wonen niet. We hebben een gids, een gepensioneerde man die veel weet van de stad, maar ook van het ambacht van Jenever stoken. Ik vergeet helaas alle verwijzingen naar gezegden die uit het vak komen op te schrijven. Hij verteld een mooi verhaal. Op een bepaald moment komen we langs ons huis. Een andere meevarende wijst naar ons raam, want daar hangt een ooievaar van stof die lijkt het huis binnen te vliegen. ‘Kijk, daar is een kind geboren’. Ik tik de vrouw op haar schouders en wijs naar de kinderwagen waar AAB in ligt. ‘Dat is hem. Twee weken oud.’
Na de rondvaart lopen we naar het stadhuisplein voor de lunch. Onderweg stoppen we even om ergens naar te kijken. Ik draai me om, maar let niet op. Ik loop met de kinderwagen, die nu begint te rollen, richting de rand van de kade en hij dreigt in de gracht te vallen. MIR en mijn schoonvader rennen er naartoe en houden hem tegen. Ze kijkt me boos aan. Hoe kan je zo stom zijn….? Ja, ik kan soms best op een klunzige manier hele domme dingen doen.
Daarna een heerlijke lunch met kroketten op brood. Mijn vader heeft het er nog over als hij moppert over het feit dat geen van zijn twee zonen zijn getrouwd met een degelijk trouwfeest.